Nieuwsbrief:
Vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag
(vervolg op nieuwsbrief oktober 2009)


Op 14 oktober jl. schreven wij u over de aan de werknemer toe te kennen vergoeding indien er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Inmiddels heeft de Hoge Raad zich op 27 november 2009 uitgesproken (HR 27 november 2009, LJN BJ6596) over de vraag of de kantonrechtersformule als algemeen uitgangspunt kan dienen voor het bepalen van de hoogte van een vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag. De Hoge Raad is van mening dat dit niet kan en voert daartoe verschillende redenen aan.

Ten eerste is de Hoge Raad van mening dat een vergoeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag een ander karakter heeft dan de vergoeding die de rechter bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan toekennen. Bij een kennelijk onredelijk ontslag begroot de rechter de vergoeding als schade die de werknemer als gevolg van het kennelijk onredelijk ontslag heeft geleden. De hoogte van de toe te kennen vergoeding staat bovendien in relatie tot de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen, en aan de daaruit voortvloeiende (materiële en immateriële) nadelen voor de werknemer. Bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering in de omstandigheden kan de rechter een vergoeding naar billijkheid toekennen. Voor het vaststellen van de hoogte van deze laatste vergoeding wordt in de praktijk de kantonrechtersformule gehanteerd.

Ten tweede richt de kantonrechtersformule zich op het standaardiseren van ontbindingsvergoedingen aan de hand van een beperkt aantal factoren (gewogen dienstjaren, bruto maandsalaris en bijzondere omstandigheden). Het staat de rechter vrij een andere berekeningswijze te volgen als hij daartoe in de omstandigheden van het geval aanleiding ziet. Bij kennelijk onredelijk ontslag moet de rechter zich echter steeds nauwkeurig rekenschap geven van de concrete omstandigheden en factoren die de hoogte van de vergoeding bepalen. De rechter dient zijn beslissing over de hoogte van de vergoeding voldoende te motiveren.

Op basis van deze twee redenen concludeert de Hoge Raad dat de uitkomst van de kantonrechtersformule niet kan dienen als een algemeen uitgangspunt voor de bepaling van een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Ook de door het hof Den Haag toegepaste formule, waarbij een vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag wordt gebaseerd op de kantonrechtersformule onder toepassing van een algemene korting, kan de goedkeuring van de Hoge Raad niet dragen. Om toch een zekere harmonisatie tot stand te brengen, geeft de Hoge Raad als handvat aan de rechters aan om de van belang zijnde factoren bij een kennelijk onredelijk ontslag duidelijk te benoemen en inzichtelijk te maken welke financiële gevolgen in soortgelijke gevallen eventueel aan de verschillende factoren kunnen worden verbonden. Dit laatste zou zeker kunnen bijdragen aan de voorspelbaarheid van beslissingen over de hoogte van de vergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag. De toekomst zal uitwijzen of de rechters in staat zijn de handreiking van de Hoge Raad in duidelijke formuleringen om te zetten.

Voor meer informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij mr. J. de Graaf op 0591-646882.


Nieuwsbrief januari 2010